Tijdens en na de Eerste Wereldoorlog wijzigde de Nederlandse landmacht haar standpunt onder invloed van de voortschrijdende vrouwenemancipatie en van buitenlandse voorbeelden, waar vrouwen bijvoorbeeld in verplegende legerfuncties dienden. Het Landstormbesluit van 12 juni 1913 bepaalde dat vrouwen alleen ten tijde van oorlog of buitengewone omstandigheden mochten toetreden.

Met de komst van de nieuwe Landstormbeschikking (1922) stelde men opnieuw dat vrouwen konden toetreden tot de Vrijwillige Landstorm. Zij werden toegelaten als (ongewapende) vrijwilligsters bij de Vrijwillige Landstormkorpsen Motordienst, Vaartuigendienst, Spoorwegdienst en Luchtwachtdienst als arts, verpleegster, chauffeuse, kokkin en administrateur.

Zowel in het leger als in de politiek bestond echter twijfel over de geschiktheid van vrouwen voor de krijgsdienst. Daarnaast werd de aanwezigheid van vrouwen bij oorlogshandelingen niet gewenst geacht. Desondanks waren er in 1924 al 64 vrouwelijke vrijwilligers actief binnen de Vrijwillige Landstormkorpsen. Zij waren feitelijk de eerste vrouwen bij de Koninklijke Landmacht (KL). De wettelijke basis voor indiensttreding van vrouwen bij de KL was pas in mei 1940 gereed.