Op 6 augustus 1914 worden in de kranten van Nederland een schrijven van de Minister van Oorlog generaal-majoor Nicolaas Bosboom gepubliceerd. Hierin legt hij uit wat de regels zijn voor de vrijwilligers bij de landstorm.
Overal waar er voldoende vrijwilligers zich aanmelden, kunnen deze worden samengesteld tot een gewapende landstormafdeling.
Bestaande weerbaarheidskorpsen, waarvan de leden geen verbintenis willen ondertekenen, worden niet erkend.
De landstormafdelingen worden onderverdeeld in voetvolk-, wielrijders- en ruiterafdelingen. De samenstelling van een wielrijdersafdeling komt zoveel mogelijk overeen met die van een sectie (van een compagnie) wielrijders. – 1 luitenant – 2 sergeanten – 3 korporalen – 1 hoornblazen – 30 soldaten – 1 hospitaalsoldaat – 1 rijwielhersteller en – 2 verpleegers
De landstormafdeling krijg de naam van de gmeente waar de vrijwilligers vandaag komen. Bijvoorbeeld ‘Afdeling Amsterdam’. Als er meer dan één afdeling uit die stad komt, worden de Romeinse cijfer I, II, III toegevoegd.
De afldeingen blijven voorlopig in de stad waar ze zijn opgericht en worden daar getraind. Wanneer de afdelingen militair worden ingezet, wordt later bepaald.
Meerdere afelingen van dezelfde soort kunnen worden samengevoegd tot compagnieën. De bevelvoering hierover wordt later geregeld.
Zolang de afdelingen oefenen in de plaats waar ze zijn opgericht, vallen ze onder bevel van de Territoriale Bevelhebbers.
Als de vrijwilliger (nog) niet in bezit is van een legeruniform, moet hij bij voorkeur kleding dragen in de kleur van het legeruniform. Zij die geen uniform dragen, moeten verplicht een 4cm. breed oranje katoenen band met rijkswapen om het hoofddeksel dragen. Bij rijwielafdelingen moet men zelf een (in goede toestand verkerende) fiets meenemen, bij de ruiterafdeling een paard.
De rangonderscheidingstekenen zijn dezelfde als voor de landmacht en worden op dezelfde wijze gedragen.
De vrijwilligers zijn gewapend met de karabijn (of het geweer) en voorzien van de uitrusting als voor het leger is bepaald. Officieren zijn bewapend met de revolver. Per man worden 120 scherpe patronen en 100 reservepatronen verstrekt. Voor de revolver worden 24 patronen verstrekt.
De Nieuwe Courant van Donderdag 6 augustus 1914. bron: Delpher